Liefde voor de moedertaal

Boek foto Awese

Awese
Light in the everlasting Dark Moon
Johanna Schouten/Elsenhout
Tekstredactie en vertaling D.Fance Olivieira
Libertas
ISBN 978 99914 7 048 1
145 blz.


Johanna Schouten-Elsenhout:
te midden van de strijd van alledag
(a mindri fu strei fu aladei)


Duman

Mi no wani
wan ati
di n’ abi kra
mi wani
wan yeye d’ e libi

mi n’e wer’
susu
di n’e fit’mi
m’e wer’
mi eigi krompu

mi n’e sdon
luku
a fesi fu sma
m’e luku ini
mi eigi spikri


Mens van de daad

Ik wil
geen hart
dat geen ziel heeft
ik wil
een geest die leeft

ik draag
geen schoenen
die mij niet passen
ik draag
mijn eigen klompen

ik zit niet
te kijken
naar het gezicht van anderen
ik kijk in
mijn eigen spiegel

klompen: slippers met houten zool



Dit gedicht in het Sranantongo (vroeger Surinaams genoemd) komt uit de dichtbundel Awese van de Surinaamse dichteres Johanna Schouten-Elsenhout. uit 1965. (Awese is in de winti, de Afro-Surinaamse religie, een geest met helende kracht.) In 2010 is ter gelegenheid van de honderdste geboortedag van Johanna een herdruk van deze bundel verschenen, met vertalingen in het Engels door D. France Oliveira, die ook de initiatiefnemer en uitgever van  deze heruitgave is.

Awese is de tweede en laatste bundel van deze dichteres; haar eerste, Tide ete (Vandaag nog), verscheen in 1963. De twee bundels zijn mijlpalen in de emancipatie van de taal en cultuur van de creoolse bevolking van Suriname en in de Surinaamse vrouwenbeweging. Het is heel verheugend dat een van deze twee monumentale boeken nu weer verkrijgbaar is. Hopelijk worden er spoedig fondsen of sponsors gevonden voor de herdruk van Tide ete.
Johanna Schouten-Elsenhout is geboren in 1910 en overleden in 1992. Een korte levensbeschrijving door Eddy van der Hilst, 100 jaar Johanna Schouten-Elsenhout, is te vinden op de blogspot van de Werkgroep Caraïbische Letteren, Caraïbisch Uitzicht. Als alleenstaande moeder heeft Johanna vooral in de dertiger jaren harde omstandigheden gekend. Dichteres werd zij zonder dat zij er naar streefde. Zij had de gewoonte gedachten en impressies in een schrift te schrijven. Vrienden die deze teksten lazen, overtuigden haar ervan dat het gedichten waren en dat die gepubliceerd moesten worden.
Johanna schreef uitsluitend in het Sranantongo (kortweg Sranan), de taal van de creoolse cultuur, die in de 18e eeuw is ontstaan uit een menging van Afrikaanse en Europese talen. Haar Sranan is wat men in Suriname ‘diep’ noemt: oorspronkelijk, veel minder beïnvloed door het Nederlands dan het Sranan van jongere generaties. Zij gebruikt woorden die veel hedendaagse sprekers van het Sranan niet meer kennen. Haar liefde voor haar moedertaal blijkt ook uit het feit dat zij een grote verzameling odo’s heeft samengesteld: spreekwoorden en gezegden in het Sranan, die in de tijd dat Johanna leefde een grote rol in het taalverkeer speelden (tegenwoordig in mindere mate).
Van de waarde van de creoolse taal en cultuur is zij altijd overtuigd gebleven, dwars tegen de cultuur- en onderwijspolitiek van de overheid in. In zijn levensbeschrijving van ‘tante Jo’ citeert Van der Hilst een interview met haar uit 1987:
“Jammer, heel jammer dat onze jonge mensen de odo's niet kennen, laat staan gebruiken. Want odo's zijn een stuk van onze eigen cultuur, iets waar onze voorouders mee pronkten, omdat het iets was wat ze zelf gemaakt hebben. Dat heeft natuurlijk zijn oorzaken. De mensen die aan het begin van deze eeuw het land bestuurden wilden ons onze cultuur afpakken. Ze probeerden in ons hoofd te stampen dat het Surinaams, het Sranantongo voor domme mensen bedoeld was, voor mensen die geen manieren kennen. Ze gingen zelfs zo ver te zeggen dat het Sranantongo geen taal was. Hoe vele Surinaamse schoolkinderen hebben wel niet hun mond moeten wassen als de juffrouw had gehoord dat ze Surinaams spraken? Terwijl de school de plaats is waar kinderen hun cultuur moeten leren waarderen. Het is dan meer dan logisch dat velen geen odo's kennen en de taal niet kunnen gebruiken zoals het moet.”

En in een interview uit 1990 zegt ze:

“Je taal is je cultuur en dat is het hoogste bezit van een mens. Als je het kwijt bent, ben je je leven, je kra kwijt. Je kra, dat is je eigen persoonlijkheid. Je kan arm zijn, maar je hebt een hoge geest die je hooghoudt.”

Een van de beroemdste gedichten van Johanna Schouten-Elsenhout is Uma (Vrouw). In 1999 heeft Hillary Clinton op een Unesco Conferentie in Den Haag haar lezing met dit gedicht geopend.


Uma

Noti no hei so
Lek’ a sten
D’ e bari
In’ dyugudyugu f’ a dei

A sten moi
A krakti
A n’ abi farsi
Wins’ tranga winti
E seiri en kon

Uma i hei
Y’e brenki
I n’e kanti
A mindri strei
Fu aladei
Vrouw

Niets is zo verheven
Als de stem
Die roept
In de chaos van de dag

Die stem is mooi
Zij is krachtig
Zij heeft geen valsheid
Ook als stormen
Die met zich meevoeren

Vrouw je bent verheven
Je schittert
Je wankelt niet
Te midden van de strijd
Van alledag

Uma staat niet in Awese maar in haar eerste bundel, Tide ete. Ik heb het hier toch willen citeren, omdat de eerste twee strofen, over de stem van de vrouw, zo’n prachtige karakteristiek zijn van de dichtersstem van Johanna zelf: mooi, krachtig en authentiek.
Uma en Duman zijn gedichten die door hun eenvoud en directheid onmiddellijk aanspreken. Niet alle gedichten zijn zo toegankelijk. Het taalgebruik is soms ook voor moedertaalsprekers van het Sranan moeilijk, door het diepe karakter ervan. Veel gedichten bevatten verwijzingen naar elementen uit de Afro-Surinaamse cultuur en religie; als buitenstaander besef ik dat mij heel wat ontgaat. Maar ook als een gedicht (voor mij) onduidelijke passages bevat, blijft die krachtige stem klinken. Het is poëzie van grote intensiteit, indrukwekkend en ontroerend tegelijk.
In het gedicht Sweti (zweet) wordt de ik door een klok die ze op de kermis gewonnen heeft, meegevoerd het verleden in. Zij duikt in een rivier van bloed om één enkele druppel zweet van zichzelf te ‘markeren’ en mee te laten voeren in het midden van de stroom. In plaats van ‘naar binnen te vallen’ (in het verleden, in de tijd van de slavernij?) duikt zij met gesloten ogen in de Surinamerivier. Als zij weer bovenkomt, vindt zij zichzelf terug op de oude Joodse begraafplaats Beth Chaim (Betkayn), te midden van de geur van de beenderen van slaven. (Voor degenen die bekend zijn met Suriname: Beth Chaim is de begraafplaats op Jodensavanne, 60 kilometer stroomopwaarts aan de Surinamerivier.)  Ik citeer het gedicht met de Engelse vertaling van France Oliveira:


Sweti

Mi nyun oloisi
nanga prakiki
di brad’en ffrey a tapu
di m’ win’lek’
nomru wan a pren
bigin nak’ yuru
e waka a baka.
A gersi m’ e firi f’ go ler’ swen
nanga koni a mindri faya
wins’ a f’ wandey prisiri
f’ dukrun wan kefe
mindri a se f’ asema brudu
f‘ marki
soso wan enkri drop’ sweti f’ mi libi
d’ e lon lek’ kowru watra a mindrisey.
Frede begin dangra mi.
Pref’ mi fadon nanga doro insey
mi dyonpo nanga tap’ay
a mindri Srana liba.
Di m’ op’ ede a loktu baka
mi si tak’ a owru Betkayn
mi fen’ mi srefi
mindri a smeri
f’ den srafu dedebonyo.


Agony

My brand new clock
with spread-eagled lovebirds
on top, I won at the fair
starts chiming time
though behind time; it seems
as if I want to learn to swim with cunning in fire
even if for just a one-day fling
to dive for a moment into a sea of vampire’s blood
to mark
just one single drop of sweat

of my life that courses like cold water at the center.
Then I was gripped by fear;
instead of falling headlong indoors
I jumped with eyes shut tight into the river.
When I surfaced again I noticed that
I’d popped up right in the old jewish cemetery
with the rank smell of the bony remains of the slaves
clogging my nostrils



Voor Johanna Schouten-Elsenhout was de slaventijd maar twee generaties geleden; haar moeders moeder heeft als slavin op 1 juli 1863 de emancipatie (afschaffing van de slavernij) meegemaakt. Johanna voelt zich in heel haar wezen verbonden met de geschiedenis van haar volk; Sweti is de zeer persoonlijke en aangrijpende uitdrukking daarvan.
Toen ik de gedichten in Awese opnieuw las, viel mij op dat de constructie a mindri (te midden van, midden in) zo vaak voorkomt. Uma eindigt met: yu n’ e kanti a mindri strei fu aladei (jij wankelt niet te midden van de strijd van alledag); in Sweti komen we er vier tegen, waaronder a mindri faya (midden in het vuur), a mindri smeri (te midden van de stank). Uit andere gedichten: a mindri den sabana bromki (te midden van de savannebloemen), mindri kowru libi (te midden van het koude leven), mindri doystri fu a mun (midden in de duisternis van de maan), a mindri a doti (te midden van het vuil), a mindri banawtu (te midden van dingen die ons benauwen), a mindri ogri nanga bun (te midden van kwaad en goed). Deze voorbeelden zijn met vele aan te vullen. In de vertalingen is het frequente voorkomen van mindri niet steeds terug te vinden; a mindri wordt vertaald met amid, among maar vaak ook met in of het verdwijnt in parafrases. In het Sranan is de uitdrukking lang niet altijd de enig mogelijke; in plaats van mindri a son (midden in de zon), bijvoorbeeld, zou ook gewoon in’ a son (in de zon) kunnen worden gezegd.
Dit veelvuldig gebruik van mindri zou als een spraakgewoonte van de dichteres gezien kunnen worden, maar bij iemand die zo intens met haar taal omgaat is het haast een belediging dat te veronderstellen. In mijn ogen is deze constructie op zichzelf al de uitdrukking van de wijze waarop de dichteres in het leven staat: midden in de stroom van het leven, te midden van al het kwaad en het goed, krachtig, zelfbewust maar ook nederig en met een groot vertrouwen: a mindri howpu bribi lobi nanga seygi – te midden van hoop, geloof en zegen. Lees het volgende, prachtige gedicht:


Sososkin

San a mi?
Wan klodru doti nanga kra
Wan libisma
Wan syatu bro
a mindri
howpu bribi lobi nanga seygi
Wan sonduboku
a mindri grontapu wey
Wan dedetaki a wan bon
a mindri Gado glori
toku m’ e fir’mi sref’
ber’a mindri winti son nanga alen
lek wan porfroktu a ondrogron
Libi!
Sososkin mi si deifesi
Sososkin m’ e dede

Naked

What am I?
A clot of dirt with a soul
A living being
An instant breath
among
hope faith love and blessings
A scapegoat
in the world’s pasture
Deadwood on a tree
among God’s glory
Still I feel
buried among wind sun and rain
like an overripe fruit on the ground
Let life be!
Naked I was born
Naked I’ll die



Ook dit gedicht heeft een verspreiding over de grenzen gekregen, onder andere doordat het is opgenomen in het prestigieuze tijdschrift Callaloo, Journal of African-American and African Arts and Letters, volume 21, Number 3, 1998. Deze aflevering is gewijd aan literatuur en beeldende kunst van Suriname en de Nederlandse Antillen.


De bundel wordt ingeleid door de D. France Oliveira. Hij gaat vooral in op de verwevenheid van deze poëzie met de traditionele Afro-Surinaamse cultuur. De uitvoering van het boek is voorbeeldig: prachtige omslag, hoge kwaliteit papier, mooie opmaak (door Wim Verboven). France kan niet genoeg geprezen worden voor het tot stand brengen van deze uitgave en het daarmee weer toegankelijk maken van deze indrukwekkende poëzie. Ik hoop dat de geciteerde gedichten hebben laten zien dat de gedichten van Johanna Schouten-Elsenhout ook voor ‘buitenstaanders’ grote zeggingskracht hebben. Laat je niet weerhouden!
Via OER kun je het boek bestellen (€ 10 + € 3 verzendkosten).


Tekst: Geert Koefoed